Getuigenissen van Japanse oorlogsmisdaden

Eind september, begin oktober 1942 liepen mijn vader en ik over de hoofdweg van de koffie en rubber plantage Sumber Sewu, liggend op de rug van de vulkaan de Semeru boven het plaatsje Dampit, Oost-Java, toen wij vanuit de verte vrachtwagens hoorden aankomen. Voormalig Nederlands-Indië was bezet door Japan, dus wij moesten erg voorzichtig zijn. Wij verscholen ons daarom snel achter de koffiestruiken die hogerop lagen dan de weg, zodat wij (helaas) alles goed konden zien.

Wij zagen vijf open trucks voorbij rijden volgeladen met bamboemanden waarin blanke mannen lagen, die wij hoorden roepen, schreeuwen om hulp en om water in het Nederlands en in het Engels. De manden lagen opeengestapeld in de open trucks die volgens mij richting Banyuwangi over de Zuid Smeroeweg reden.

Ik was 15 jaar en kon zodoende ten volle begrijpen wat zich daar voor mijn ogen afspeelde.

Maar wat mij tot diep in mijn ziel trof waren die wanhopige en in doodsangst roepende mannenstemmen die God smeekten om hulp en riepen om water.

Ik hoorde mijn vader zachtjes zeggen: “Oh mijn God!”

Wij zijn langs een andere weg naar huis gelopen. Geen van ons beiden sprak een woord. Er waren geen woorden voor wat wij zojuist hadden gezien én gehoord.

Maar ik had zo graag na de oorlog met mijn vader willen spreken over dat vreselijke drama dat zich toen voor ons beider afspeelde. Hadden de Madoerezen van Sumber Sewu het ook allemaal gezien en gehoord? Ik zal het nooit weten. Mijn vader werd door de Kempeitai te Malang in maart 1945 omgebracht.


Op 11 augustus 1990 verscheen er in de Telegraaf een artikel over “varkensmanden transporten” die op diverse plaatsen en op verschillende tijden gezien en gehoord waren.

Het dossier 5284 in de Telegraaf vermeld, over de misdadige transporten van krijgsgevangenen tijdens de Japanse bezetting in het voormalig Nederlands-Indië, ligt vertrouwelijk ter inzage in ons Nationaal Archief te Den Haag.

Maar daarna werd het weer stil rond deze zeer ernstige oorlogsmisdaad.

In 2003 en 2004 heb ik zelf een oproep geplaatst in het Nieuws Magazine van de Stichting Japanse Ereschulden. Ik zocht naar ooggetuigen die ook getuigen waren geweest van mannen vervoerd in varkensmanden. Zo mocht ik 35 brieven en emails ontvangen van 35 getuigen. Ik wilde er zo graag iets mee doen, maar niet erg veel Nederlanders uit het voormalig Nederlands-Indië hebben bovenbedoelde transporten gezien. Ik heb mij ook heel vaak afgevraagd waarom men nooit de Chinezen en Indonesiërs heeft gevraagd of zij iets gezien hebben.

Tot mijn grote vreugde ontving ik een schrijven van de heer M.L , een Ambonees:

“Betreft: Krijgsgevangenen vervoerd in gevlochten bamboe varkensmanden, 1942.

Ondergetekende was toen 23 jaar oud, fietsende naar Pasar Toendjoengan (Winkelcentrum). Opeens zag ik colonnes Japanse militaire transportwagens vol beladen met totaal naakte blanke mannen in gevlochten bamboe varkensmanden.

Ik fietste hen achterna tot Tanjung Perak en zag daar met eigen ogen, samen met vele Javaanse havenarbeiders, hoe onmenselijk barbaars de Japanse militairen al die manden met inhoud, hebben overgeladen in de laadboten van Surabaya Veem en vervoerde tot het midden van Straat Madoera en ze aldaar in zee wierpen.”.

Getekend: M.L… -----

Omdat de heer M.L. als enige Indonesiër, wonende in Nederland, op de oproep reageerde heb ik hem persoonlijk in Den Bosch opgezocht in 2004.

Hij zag in maart 1942 colonnes Japanse militaire trucks voor het voormalige Amerikaanse Consulaat in de Sumatrastraat te Surabaya staan en zoals hij reeds schreef, fietste hij dit transport achterna, maar nam een kortere weg naar Tanjung Perak, de haven van Surabaya. Hij ging naar de haven omdat hij meteen vermoedde dat het transport daarheen zou gaan.

De varkensmanden werden dus naar de platte laadboten gebracht en hij vertelde dat je vanuit de haven Tanjung Perak, het eiland Madoera duidelijk kon zien, zodoende zag hij dan ook en vele anderen met hem hoe de mannen in de varkensmanden tussen Surabaya en Madoera in zee werden geworpen.

De heer M. L. is op Ambon geboren, werkte voor de oorlog op het kantoor van de Nederlands Indische Marine te Surabaya. Tijdens de Japanse bezetting mocht hij gewoon zijn werk blijven doen vanwege zijn Indonesische afkomst.

De heer M.L. vertelde mij tevens dat vele Ambonezen, waaronder ook vrouwen, door de Japanners zijn vermoord en verbrand. Ook hebben vele Ambonezen mannen, vrouwen en kinderen in kampen gezeten, omdat zij aan de zijde van de Nederlanders stonden.

De heer M. L.was in 2004, 85 jaar. -----

Op aanraden van mijn zoon kocht ik in 2000 mijn eerste PC. In 2006 begon ik aan mijn website, met de technische hulp van mijn zoon kwam deze op internet.

Ik schreef over mijn jeugd in voormalig Nederlands-Indië, over de oorlogsjaren, wat erna gebeurde en over mijn weerzien in 1996 van Indonesië, het land waar ik zo veel van houd. Omdat ik alles in “mijn Engels” schreef kwam ik in contact met vele nieuwe kennissen van over de hele wereld. Zo kreeg ik dan eind vorig jaar het verzoek van een journalist uit Nieuw-Zeeland om in zijn plaats ons Nationaal Archief in Den Haag te bezoeken en onderzoek te doen naar het Dossier 5284. Hij gaat een boek schrijven over het drama van de Varkensmanden Affaire.

Dit jaar kreeg ik die toestemming en ben eind februari tot en met begin april aan de slag gegaan. Ik heb bijna 291 bladzijden met potlood overgeschreven, ben er zes maal van Tilburg voor naar Den Haag gereisd.

Ik heb toestemming gekregen van het Nationaal Archief om enkele van de vele en dramatische getuigenissen te mogen publiceren.


Algemene en daarbij de gedeponeerde archieven: 1942 – 1950 Inventaris. Nummer 5284

De NEFIS ( Netherlands Forces Intelligence Service), was een Nederlandse militaire inlichtingendienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het doel van de NEFIS was het verzamelen van inlichtingen met betrekking tot Nederlands-Indië.

De ooggetuigen:

No. 1 Man, nationaliteit Chinees, koopman te Soerabaja.

De 23ste maart 1942, rond 2 uur ’s middags, stond ik op straat Kapasan tegenover de markt, toen ik 3 trucks aan zag komen rijden. Een van de trucks stopte enkele meters bij mij vandaan. Op de voertuigen zaten: 1 Japanse chauffeur, twee Japanse bewakers en een groot aantal gevangenen in varkensmanden. De mannen droegen alleen maar shorts of een onderbroek. Zij leefden nog maar waren zeer zwak en zij hadden duidelijk heel erge dorst.

Ik en enige anderen probeerden zo dicht mogelijk bij de trucks te komen, ongeveer een meter, terwijl de Japanse bewakers iets fris dronken.

Ik zag een bundel uniformen op de bodem van de truck liggen sommigen waren kaki kleurig en hadden twee of drie witte strepen op de mouwen. Later vertelde anderen mij dat sommige van de gevangenen Britten waren, Nederlandse soldaten hebben andere insignes.

De trucks reden verder naar het oosten.

Nog die zelfde avond hoorde ik van mijn Indonesische vriend K., die bij de raffinaderij te Wonokromo werkte, dat aan de overkant van het kanaal ( ongeveer 30 meters van hem vandaan) een truck stopte . Japanse soldaten haalden de manden met mannen uit de truck en gooiden deze in het kanaal. Hij kon niet zien of de mannen nog leefden.

Vier dagen later ging ik met K. naar Wonokromo waar hij mij de plek liet zien waar de manden in het kanaal waren gegooid.

Ik hoorde later van mijn broer, dat Australiërs en Nederlanderse krijgsgevangenen waren opgepakt en van Dampit naar Malang gereden.

Mijn broer woonde nabij Malang, hij en enkelen van zijn vrienden hadden deze mannen van voedsel en van batterijen voor hun flash lights voorzien.

K.. is naar Modjokerto geëvacueerd.

Getekend: T.T. P.. te Soerabaja.


No. 2 Pro Justitia

Regeringsbureau tot Nasporing van Oorlogsmisdaden te Batavia

Proces verbaal: Onderzoek varkensmanden

Op heden, 8 maart 1948, verschenen voor mij: G.G. J…., onbezoldigd politie ambtenaar, belast met de opsporing van oorlogsmisdadigers en collaborateurs , een persoon die op afvragen zegt te zijn:

Naam: N. K.T ( Chinees - Indonesiër)

37 jaar

employee, transportonderneming Kalimas, Soerabaja

Op een dag, eind maart 1942 was ik in de Meulenstraat te Malang. Het was 11 ’s morgens toen ik 2 trucks richting station Malang zag gaan. Toen de trucks stil stonden, zag ik dat zij door bewapende Japanners bewaakt werden. Ik zag ook dat er in de laadbakken zo’n 40 varkensmanden lagen, waarin blanke mannen gekleed in kaki shorts of groene broeken.

Achter deze trucks zag ik nog meer trucks komen, waarin ca 100 Indonesiërs in K.N.I.L uniform. Het waren 5 tot 6 trucks en zij werden bewaakt door Japanse soldaten. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat in de eerste twee trucks Europeanen in varkensmanden. De manden waren met touw dicht gemaakt. In iedere mand zat een Europeaan.

Ik ben doorgelopen. Later hoorde ik dat allen gevangen waren genomen te Dampit.


No. 3 Naam: M. V…., 50 jaar oud, Nederlander, Planter.

Vraag: Kunt u mij vertellen over het vervoer in maart 1942?

Ik woonde in Gadoengan, ca 3 KM van Paree, residentie Kediri. Ik kwam bijna dagelijks in Paree. Op 22 april 1942 zag ik een langzaam rijdende truck beladen met varkensmanden. Ik herkende de manden meteen, omdat ik zelf in de varkenskraal heb gewerkt en toen voor varkenstransporten zorgde.

Ik keek en zag duidelijk een zestal manden die zichtbaar waren, er staken voetzolen uit.

De mensen lagen in gebogen houding met opgetrokken knieën in de manden. Ik zag ook beenwindsels en bruine kleding.

De bevolking wist te vertellen dat de getransporteerde Aussies waren die gevangen genomen waren in de Kluizenaarsgrotten nabij Kediri en dat zij naar Soerabaja getransporteerd waren.

Een paar dagen later was ik in Soerabaja waar een dogcart ( rijtuigje getrokken door paard) koetsier mij vertelde dat Australieërs in manden in zee waren gegooid.

Kent u de naam van de Japanse commandant in Kediri?

Nee, maar het was een grootmajoor.


No. 4 Onderzoek hoofdrechercheur: afdeling Soerabaja

Onder ede:

dhr. P.J.A.. geboren te Kotta Radja, 31 januari 1917

Beroep; Hoofdklerk bij de KPM.

Man Nederlandse nationaliteit

Ongeveer 3 weken na de Japanse inval 1942, werd ik door de persoon Van De H.. , voorman bij de KPM ( woonplaats mij onbekend) aangewezen als groepscommandant van enige Indonesiërs (wiens namen mij ontschoten zijn), dit alles in opdracht van een mij onbekende Japanner van het Internatio gebouw alwaar toen het Hoofdkwartier van de Japanners gevestigd was. Op diezelfde dag , ca 9 uur ’s morgens begaf ik mij vergezeld van zeven Indonesiërs naar de openbare weg, de Oedjoeng weg, alwaar wij ons bij een zekere Pontok moesten melden. Pontok was er niet en wijl wij wachten op nadere orders, vertelde één van de Indonesiërs dat hij de vorige dag trucks had gezien die varkensmanden vervoerden, waarin Europeanen zaten gepropt.

Een paar dagen later in de maand mei, werden wij per een truck naar de Nanyo – Veem aan de Genua kade gebracht , alwaar wij ons meldden bij de aanwezige Japanner.

Wij bleken aan het verkeerde adres te zijn, dus begaven wij ons hierna naar de Holland Pier.

Ongeveer 200 meter van mij af zag ik aan de kade varkensmanden liggen die klaar lagen om in het aan de kade liggend schip te worden geladen. Ik ging op onderzoek, wilde weten of in die manden mensen zaten. Ik vroeg daarom aan een Indonesiër waarom die varkensmanden zo goed bewaakt werden. En hij antwoordde mij; “Dat zijn geen varkens maar Belanda’s ( Blanken).

Aangezien ik liever zekerheid wilde hebben, concentreerde ik mijn aandacht op die varkensmanden en zag inderdaad dat daar mensen in waren, licht van huidskleur.

Zij waren aan handen en voeten middels touwen vastgebonden, waarvan de handen achter op de rug.

Naar schatting bevonden zich aan het dek van het schip ongeveer 40/50 varkensmanden.

Een poosje later werd mijn aandacht getrokken door een Japanner die tegen één van de varkensmanden schopte waarin iemand lag en hem tegelijk uitschold. Kort daarop verscheen een andere Japanner met een emmer waarin vermoedelijk pap zat.

Deze Japanner nam met een houten mok de pap eruit en wierp die op één van de varkensmanden. Vermoedelijk omdat de pap nog warm was, hoorde ik gejammer van pijn.

Ik kon dit niet aanhoren en liep gauw terug naar mijn collega’s die nog steeds onder de hijskraan zaten.

Niet lang daarna reed ik met de truck mee naar huis en keerde niet meer naar de KPM terug.

Op de 29ste mei 1942 werd ik door de KPM opgeroepen en werd mij medegedeeld dat alle employees van de KPM ontslagen waren naar aanleiding van het ontvangen bericht van het hoofdkantoor te Batavia, dat de KPM aan de Japanners was overgedaan.

Een paar dagen later, 1 juni 1942, werd ik door de Kempeitai gearresteerd om reden dat ik lid zou zijn geweest van het Algemene Vernieling’s Corps.

Twee weken later de 14e juni 1942 , werd ik weer op vrije voeten gesteld.

Meer kan ik niet verklaren.

Ondertekend door Comparant en verbalisant.

No. 5 Alfsea War Crimes Instr. No 1

Verklaring : Vrouw Nederlandse nationaliteit

Samenvatting van onderzoek. mevrouw L. M Ch….

Verklaart onder ede:

Ik ben 31 jaar oud en ben te Soerabaja geboren en bezit de Nederlandse nationaliteit.

Ik woon ook heden weer in Soerabaja.

In de tweede helft van april of begin mei, was ik op weg naar een buitenverblijf nabij Dampit, toen ik enkele trucks aan zag komen vanuit een zijweg en dan draaiend naar de hoofdweg mijn kant op. Deze weg is ca 5 tot 6 meters breed, dus de koetsier van mijn rijtuig stopte om de trucks te laten passeren.

Van een afstand van 2 meters kon ik zien dat de trucks volgeladen waren met manden, 3 tot 4 stapels hoog. In iedere mand zag ik een man met de handen achter op de rug vastgebonden en de benen opgetrokken en ook met stevig touw vastgebonden. Sommigen van hen leken Ambonezen en anderen waren Europeanen. De uniformen waren groen en verscheurd. De gezichten en lichamen waren bedekt met bloed.

De Japanse bewakers waren soldaten van de Kempeitai. Nog een andere truck en verscheidene motoren met Kempeitai soldaten volgden.

Omdat ik in die tijd te Malang woonde , waar de Japanners regelmatig huiszoeking hielden, kende ik de insignes van de Kempeitai.

Mijn moeder en ik hoorden later van Indonesiërs dat de trucks naar Ampelgading reden en van daar over verschillende plantages reden en daarna over de Zuid Smeroe weg met einddoel Pasirian aan de zuid kust

Men heeft mij verteld dat de gevangenen levend en in de manden over de hoge steile rotsen in de zee bij Pasirian zijn gegooid. Dit was de plaats waar eeuwen terug al de Indonesische plek van opoffering aan de goden was.

De commandant in dienst 1942/1943 van de Kempeitai te Malang en omgeving was een lange man , slank figuur, brede schouders, kort geknipt haar, diepe stem, een bijna Europeaan.

De lokale Kempeitai commandant van Malang ook gedurende 1942/1943 was M… en had de bijnaam “De leeuw van Malang”.

Getekend, L.M. C… 8 maart 1946

Proces-verbaal

In handen van P.R…, hoofdcommissaris van Politie bij het Regeringsbureau tot Nasporing van Oorlogsmisdaden, gevestigd te Batavia.

Ik heb een foto van N. M… , sergeant bij de Kempeitai in Malang getoond.

Waarop zij ( L.M.Ch…) verklaarde; Dit is de door mij bedoelde N. M…, wegens zijn terreurdaden, door ons Europeanen genoemd “de leeuw van Malang”.

Getuige heeft vervolgens bedoelde foto van een herkenningsverklaring voorzien.

8 maart 1948 P…


No. 6 Pro Justitia

Op heden, woensdag 24 maart 1948, verscheen voor mij ( P. R…)

A.T.W. W… , geboren 25 April 1893 te Delft: chef afdeling Industriële Oliën van de Standaard Vacuüm Sales company , thans wonende te Batavia, die op wijze zijner godsdienstig gezindheid in mijn handen te hebben gelegd de eed; de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, verklaarde:

In het jaar 1942, ik meen in mei, bevond ik mij ’s morgens ca 9.30 ( Japanse tijd) in Soerabaja op de openbare weg Pasar Besar, tegenover het Gouverneurs kantoor, voor het gebouw van onze Raad van Justitie, waarin toen de Kempeitai gevestigd was.

Ik reed per fiets in de richting naar de Sociëteit strand, naar de beneden stad.

Achter mij reed een grote truck. Deze truck passeerde mij bij een kruispunt naar de Bibisbrug. Over die Bibisbrug doorrijdend komt men direct daarop bij het S.S. station “Kotta”, doch men kan ook links afslaan via de Chinese Voorstraat naar de Marine van Soerabaja, aan de Oedjoeng gaan.

Ik weet niet welke richting de truck nam. Op die truck lagen opgestapeld, ik meen 2 lagen dik, zogenaamde varkensmanden, waarin wat men noemt dubbel gevouwen waren mannen opgesloten. Ik zag het duidelijk.

Ik heb deze mannen niet horen praten, kan daarom niet zeggen of het Nederlanders waren of militairen van onze bondgenoten. De truck reed hard. Ik kan mij niet herinneren of er een Japanse militair achter het stuur zat.

Duidelijk heb ik echter gezien dat helemaal achterin een Japanse Kempeitai militair stond met de Kempeitai band om, mijn indruk was dat het om een sergeant ging.

Ik ken hem niet bij naam, maar heb hem zeker eerder gezien in het Kempeitai gebouw, waarbij ik ca een week dagelijks in dat gebouw moest zijn.


Hier op vertoonde ik ( verbalisant) aan getuige verschillende foto’s van Kempeitai leden uit Soerabaja en omgeving, waarui de getuige twee stuks haalde, nml. van de Kempeitai sergeant te Malang K. T… en de Kempeitai sergeant S. Y… te Soerabaja en daarbij verklaarde:

“Ik meen dat de Kempeitai-er op de truck ëën van die twee personen is, maar helemaal zeker weet ik het niet. Ik houd het op S. Y….”

Ruw geschat lagen er ca een 20 tal manden op die truck.

24 maart 1948


No. 7 Verklaring

De weduwe J.J. de V…, wonende te Soerabaja

Het was enkele maanden na de capitulatie van ons Leger in 1942, dat mijn man ( thans overleden) toenmalig hoofdopziener bij de N.I.S. ( Nederlands Indische Spoorwegen) die tijdens de bezetting samen met de heer P. G.. op het station Goebeng N.I.S. te werk was gesteld, en op een middag ontdaan thuis kwam.

Mijn echtgenoot die zeer overstuur was, vertelde mij toen, dat er zojuist een goederen trein het station was binnengereden geladen met krijgsgevangenen die in varkensmanden gestopt waren; deze personen lagen met opgetrokken benen in de manden, lagen opgestapeld in de wagens. Ook zag hij dat de Japanners daarna blikken met water aanbrachten en over deze ongelukkige mannen uitstortten.

Bij het uitstorten van het water keken zij mijn echtgenoot aan en grijnzend voegden zij hem toe: “Kasih minoem!” (Te drinken geven)

Geen Indonesische N.I.S. personeel was er meer op het station aanwezig, daar de Japanners dit personeel iets voor de komst van deze trein naar huis stuurden.

Mijn man was voor enkele dagen niet meer in staat zijn werk te doen.

Hoofd K.D.P. – A.d. O

Soerabaja


No. 8

Verbalisant: W.T. S… , nasporing van oorlogsmisdaden

Comparant: N. v.d.M. geboren 31 augustus 1926 ( 17 jaar), Nederlands

In de maand augustus 1942, ging ik ’s ochtends vanuit ons huis te Malang, met een vriend naar de badplaats Wendit. Tussen 2 ä 3 uur ’s middags gingen wij met de tram terug.

Toen wij op de hoofdweg Malang – Soerabaja kwamen stopte de tram op last van Japanse militairen. Ik zag toen aan de overkant van de straatweg een colonne van ongeveer 20 Japanse militaire truck met de kop richting Soerabaja.

Enige Japanse soldaten gelastten ons allen die in de tramwagen zaten, uit te stappen. Wij moesten eten’s blikjes vullen met water dat wij bij de huizen in de buurt moesten halen.

Ik zag dat de trucks met open laadbakken gevuld waren met militairen van het KNIL. Of er ook andere personen waren dan deze militairen weet ik niet, Zij waren opgesloten in varkensmanden en hadden een zittende houding met opgetrokken knieën, de armen bij elkaar doch niet gebonden. De manden waren van bamboe en hadden grote mazen, ik kon de mensen dus goed zien. De Japanse soldaten gaven hen toen door de manden heen te drinken uit de door ons gevilde blikjes. De gevangenen waren niet op elkaar gestapeld. De colonne was lang, ik schat zo’n 20 trucks. De varkensmanden waren gewone manden met één klep bovenop en deze klep was weer met een touw vastgebonden.

De gevangenen waren niet geboeid.

Meer kan ik niet verklaren.

25 september 1947


No. 9 Verklaring

Samenvatting van een onderzoek van de heer H.J.J. E…te Soerabaja

Verklaart onder ede; Ik ben 34 jaar oud, Nederlander en ben te Amsterdam geboren.

Troepen te Djombang en Trawas.

In augustus 1942, waren er guerrilla troepen in de buurt van Djombang en Trawas, deze werden verraden door ene Gr… die ook reeds als spion in kampen te Bandoeng was gebruikt (door de Japanners) alsmede een Ambonees Mim….. die in Djombang woonde.

W. Coenraad… die tijdelijk in Djombang, had contact met deze toepen en zag de beide personen hierboven genoemd, informatie geven aan de Japanners toen deze arriveerden een morgen om half vijf, met 20 auto’s. Zij waren gewapend met machine vuurwapens en losten de eerste schoten.

De mannen werden omringd en gevangen genomen.

Alleen 4 zijn ontsnapt, 2 Indo-europeanen en 2 Ambonezen, zij waren op dat moment niet aanwezig en verzorgden de inkopen.

De krijgsgevangenen werden naar de openbare weg gebracht die reeds voor ander vervoer was geblokkeerd. De Japanners hadden reeds varkensmanden klaar liggen.

De mannen werden in 7 tot 8 trucks getransporteerd welke bedekt werden met zeildoek.Gedurende het rijden waaide de wind het doek van sommige truck open en zo zagen de mensen in de stad, benen uitsteken door de openingen van de manden en hoorden de mannen gillen van de pijn.

De trucks kwamen uit richting Wonokromo en passeerden de Coen Boulevard en werden het laatst gezien op de hoek van Lindeteves.

In iedere truck waren ongeveer 15 manden en in iedere mand zaten 2 personen. Er waren 221 krijgsgevangenen, waaronder soldaten van het KNIL, Australiërs en enkele Britten.

Een Sectie Bevelhebber (6e Sectie) van het Prins Hendrik fort die ik zag in het C.B.Z. ( Centraal Burger Ziekenhuis) vertelde mij dat de ( bovengenoemde) krijgsgevangenen vanaf een schip in de “Straat van Madura” ( zee) gegooid zijn. Dit heeft hij met eigen ogen gezien.

Later heeft deze bevelhebber zijn verstand verloren en werd hij naar PEGIIRIAN ( een tehuis voor psychiatrische patiënten alvorens hen naar PORONG door te sturen.

De gevangenneming was van te voren geregeld, dat werd duidelijk door alle maatregen die waren getroffen alvorens de Japanners ten tonele verschenen.

12 februari 1946

Detailed to examine the above by C .. in ..C Allied Land Forces . Sea


No. 10 Verbalisant: A. de K…, Inspecteur 1e klasse bij de algemene politie te Soerabaja.

Comparant: H.J.J. E…, geboren 13 januari 1948

vraag 1: Kunt u mij, naar aanleiding van uw afgelegde verklaring aan de NEFIS d.d. 12 februari 1946 een duidelijke verklaring geven van wat u weet van de zogenaamde Varkensmanden Affaire?

Antwoord: In de eerste plaats wil ik u mededelen dat alles wat ik weet van deze zaak, heb ik vernomen van ene Coenraad, die met mij in in 1944 in het Centraal Burger Ziekenhuis te Soerabaja was opgenomen. Deze Indische jongen leek mij zeer betrouwbaar. Hij vertelde mij dat ongeveer een jaar na de inval van de Japanners de guerrilla strijders in de buurt van Djombang en Trawas verraden zijn door een zekere Hendr….. alias Frank Gr... en ene Himal... Coenraad die in contact met de guerrilla strijders zou hebben gestaan, moet gezien hebben dat deze twee personen aanwijzingen aan de Japanners gegeven hebben van de plaats waar de guerrilla strijders zich bevonden. Bij de omsingeling zijn er ruim 200 personen gevangenen naar de hoofdweg gevoerd, waar trucks klaar stonden met de nodigen manden, waarin gewoonlijk varkens vervoerd worden. In iedere mand werden 2 personen gestopt en opgeladen op de truck (6 à 7) en via Wonokromo en Coenboulevard naar Perak gereden.

De trucks waren met zeilen afgedekt, doch hier en daar sloeg de wind het zeil weg en kon men benen en armen uit de manden zien steken.

Volgens Coenraad moeten vele mensen in de stad Soerabaja dat transport gezien en gehoord hebben, want de gevangenen moeten verschrikkelijk gekermd hebben.

Er moeten per truck ongeveer 30 personen vervoerd zijn.

Dit is wat Coenraad mij heeft verteld.

Verder heb ik zelf gehoord van een Inlandse politieambtenaar van de 6e Sectie, die ook op onze zaal lag, doch min of meer krankzinnig was, dat hij aanwezig geweest is bij het in zee gooien van de manden.

De man moest het daardoor schijnbaar zo kwaad gehad hebben, dat hij nachten lag te ijlen en als er een Japanner binnen kwam kroop hij onder bed.

Later is hij overgebracht naar het krankzinnigen gesticht “Pegisian”.

Vraag 2: Weet u ook op wiens last de arrestaties van de guerrilla strijders is geschied; wie belast was met het transport en of er nog andere personen in deze affaire genoemd zijn?

Antwoord: U moet niet vergeten, dat zowel Coenraad en ik in de C.B.Z. lagen vanwege de mishandelingen door de Japanners ondervonden.

Nee, Coenraad heeft geen namen van de Japanners genoemd.

Vraag 3: Kunt u mij ook zeggen, waar Coenraad nu woont?

Antwoord: Helaas moet ik zeggen dat met vrij grote zekerheid kan worden aangenomen, dat Coenraad in de Bersiap periode door extremisten is vermoord.

Zijn naam stond op de lijst van de Nieuwe Courant.

Vraag 4: Hebt u verder nog iets te verklaren?

Antwoord: Nee.

Ondertekend door Comparant en Verbalisant


No. 11

Verbalisant: A. de K.., Inspecteur van Politie 1ste klasse dienende bij de Algemene Politie te Soerabaja, afdeling Inlichtingen Dienst

Comparant: Hendr.. alias F. Gro…., geboren 15 december 1895 te Probolingo, zonder beroep, thans gedetineerd in het Huis van bewaring aan de Werfstraat te Soereabaja.

Vraag 1: Is u iets bekend omtrent het vervoeren van Europeanen in zogenaamde varkensmanden in ca 1943 van uit richting Wonokromo via de Coenboulevard naar zee?

Antwoord: Hier is mij niets van bekend. Wel heb ik te Malang gehoord van mij onbekende Indonesiërs dat er Europeanen in manden werden gestopt.

Vraag 2: Vertelt u mij daar eens iets meer van?

Antwoord: Dat is alles wat ik hiervan weet. Waar en wanneer en door wie of in opdracht van wie dit zou gebeurd zijn, is mij niet bekend.

Vraag 3: Kent u een zekere Himal…?

Antwoord: Nee, nooit van gehoord.

Vraag 4: Kent u een zekere Coenraad?

Antwoord: Neen!

Vraag 5: Weet u zeker dat u nooit bij een transport geweest ben, waarbij Europeanen in varkensmanden vervoerd werden?

Antwoord: Ja, dat weet ik zeker.

Ondertekend door Comparant en Verbalisant

( Ik, verbalisant, teken hierbij aan, dat getuige een zeer onwillige houding aanneemt en duidelijk laat merken dat hij niet genegen is iets te vertellen.)

Aantekening met potlood!

Het gaat om militairen (guerrilla strijders) die in de buurt van Djombang en Trawas zouden zijn gepakt door de Japanners en daarna (in varkensmanden) richting Soerabaja vervoerd.

Getuige zou de verblijfplaatsen diers mannen aan de Japanners hebben verraden.

Waarom dan deze aartscollaborateur niet onder ede gehoord?


No. 12 Samenvatting van het onderzoek: J. W….

Reserve Luitenant bij de Marine ( Radio sectie)

Ik ben 41 jaar oud, Nederlander en ben te Den Haag geboren.

Rond het middaguur in augustus/september 1942, was ik in een auto op Simpang, en reed naar het oosten, toen ik twee trucks zag die mijn kant opkwamen en vervolgens de Palmenlaan indraaiden, richting naar het zuiden.

Ik volgde de laatste truck op een afstand van ca 8 meters, ik reed zelf.

Ik zag dat de truck volgeladen was met de bekende Bali varkensmanden,

De man naast mij zittende vestigde mijn aandacht op de inhoud van de manden en zo ontdekten wij dat er een mens in iedere mand zat.

Aan het einde van de straat zag ik de eerste truck een draai naar rechts nemen, richting Kaliasin.

Ik verkorte de afstand tussen de 2e truck en mijzelf en maakte een korte draai bij hoek de truck passerende ongeveer 3 meter. Ik zag duidelijk mannen in de manden op hun zij liggend met de gezichten naar mij toe. Zij waren in leven en droegen shorts, geen shirts. Degene die ik kon zien hadden licht gekleurd haar en waren duidelijk Europeanen.

I reed verder door, maar zag de eerste truck niet meer terug.

We stopten voor mijn kantoor, in Tandjoengan, vanwaar ik ook vertrokken was, de tweede truck passeerde ons weer en ging richting naar het noorden.

Er waren verschillende Japanse bewakers op beide trucks en uit bovenstaande beschrijving van de route is het duidelijk dat de chauffeurs onnodig omreden , daar zij steeds op dezelfde plek terug kwamen waar zij reeds eerder waren geweest.

Op kantoor vertelde ik een Japanner, die daar nu het hoofd was van onze optische workshop, aangesteld door de overheid; wat er was gebeurd (wat ik had gezien) en hij vertelde mij dat die gevangenen Australiërs waren en door de stad waren gereden als een vertoning. Hij noemde dit “Propaganda”.

Later hoorde ik van mijn werkman Soegiman, dat de gevangenen in zee waren gegooid en dat sommige manden met de lichamen aan de kust nabij Kendjaran waren aangespoeld.

Getekend door J. W…


No. 13

Verbalisant: Mr. C.L. B…

Comparant: J.R. D…, 38 jaar, Nederlander.Opziener van Havenbedrijf Boeboetan.

Soerabaja

Ik was als monteur voor een particulier autobedrijf naar Oedjoeng gestuurd om daar een Diesel auto te repareren. Dat was omstreeks september 1942. Ik werkte aan de Kruiserkade, welke kade toen behoorde tot het terrein aldaar dat door de Japanse Marinepolitie bewaakt werd. Vlakbij het bouw het gebouw waar de elektrische Centrale is gevestigd was, had ik mij even verwijderd naar het toilet, ca tussen 10 en 11 uur in de ochtend. Toen ik vanuit de toilet plaats over het muurtje keek, zag ik dat er een stuk of 6 trucks aankwamen.

Ik bevond mij toen ca halverwege de lengte van de torpedoboot haven, langs die weg die volgens de kaart Oosterboord heet, welke eveneens behoorde tot het terrein dat door de Japanse Marinepolitie bewaakt werd..

De trucks passeerden mij dus op korte afstand. Ik werd opmerkzaam doordat er zoveel achter elkaar reden. Slechts bij 2 trucks was er een kap over de achterbak. Ik zag nu dus duidelijk wat er in was. ook reden zij niet hard.

Ik zag boven de zijwandenden van de truck zogenaamde varkensmanden uitsteken en ik zag mensen in die manden, telkens met hoofd aan het voeteneind van de ander. De manden schat ik 1.60 meter lang. Ik schat dat de manden in 4 lagen op elkaar waren gelegd. Meer kan ik over het aantal niet zeggen.

Ik zag de auto’s rijden naar de zeekant ( dus niet naar de binnenhavenkant.) van de Kruiserkade. De trucks werden bestuurd en bewaakt door mij onbekende Japanse militairen.

Daar lag al langere tijd een schip, grijs met een witte 2 op elke pijp en 2 masten. Het was geen oorlogsschip maar er waren vóór en achter en opzij kanonnen op, gecamoufleerd met bamboe. Dit schip behoorde tot het Japanse Marine personeel. Nadat de auto’s stopten werden de manden uitgeladen door leden van de bemanning van dit Japanse schip.

Toen ben ik weggegaan.

Na ongeveer een uur ben ik weer naar de toilet gegaan om te zien wat er gebeurde.

Toen zag ik dat de manden aan boord gehesen werden door eerder bedoelde bemanning. Ik kon niet zien wat er aan boord mee gedaan werd.

Om half 5 ’s middags, toen ik naar huis ging lag het schip er nog; de volgende morgen toen ik weer op Oedjoeng kwam om te werken was het schip vertrokken.

Ongeveer 14 dagen later ontmoette ik Soleiman gepensioneerd stoker van de Marine, die me vertelde over manden die in zee hadden gedreven met lijken van Europeanen er in. Hij had dat gezien toen hij aan het vissen was vanaf de wal in de buurt van Kampong Kedong Tjoweh, waar hij woonde.

Vraag: Wanneer heeft u Soleiman het laatst gezien?

Antwoord: Januari 1946 in de stad.

Vraag: Weet u waar hij nu woont?

Antwoord: Nee.


No. 14
Verbalisant: C.A. S….

Comparant: Mevrouw M.J. A…, Nederlandse nationaliteit

Onder ede:

Omstreeks september/oktober stond ik te wachten voor een spoorwegovergang te Passoeroean en zag dat aldaar een trein passeerde waarmee mensen werden vervoerd in varkensmanden. Het was een personen trein waarachter 3 wagons waren gekoppeld en deze drie wagons waren volgeladen met varkensmanden waarin zich mensen bevonden. De trein kwam uit richting Probolingo en ging naar richting Soerabaja.

De stationschef in die dagen was dhr. Smit.

Getekend 8 augustus 1947


No. 15

Verbalisant: A. P…

Comparant: A.J. H…., Nederlandse nationaliteit , werktuigkundige bij Van V…

Onder ede:

Wat ik weet heb ik van horen vertellen, ik acht deze verhalen betrouwbaar.

Het dessa hoofd van Glempang vertelde mij dat een trein met geallieerde

troepen beschoten werd door Japanse troepen op 6 maart 1942 die oprukten naar Djogja – Boentoe. De trein stopte bij Sampang, waarop de militairen uit de trein sprongen om dekking te zoeken.

Van de Engelse en Amerikaanse militairen, die niet weg konden komen, werden de hielpezen doorgekapt en aan hun lot overgelaten. Zij zijn later langs de weg begraven.

Vele van de militairen zijn de dessa ingevlucht, maar verraden door de bevolking voor f 2.50 per man.

Later werden de militairen afgemaakt. Enige Chinezen vertelden dat van de militairen de pezen werden doorgesneden of de voeten afgehakt.

Zij zijn ter plaatse begraven.

Ook in de tweede helft van 1942 hebben de Japanners jacht op geallieerde militairen gemaakt in de buurt van Djeroeklagi in Pasargrahan. Zij werden later in varkensmanden afgevoerd.

Ondertekend te Bandoeng 25 november 1946


No. 16

Verslag van gehouden betrouwbaarheid onderzoek.

Soldaat tkl. Rori Soleman , Indonesiër, alg.st.nr. 29211

Op 20 februari 1942, kwam mijn vriend Manimpis( Memfus) bij mij thuis en vroeg mij of ik genegen was om 48 manschappen van het KNIL en enkele geallieerden die aan de voet van de Smeroe lagen steun te verlenen. Deze mannen wilden zich destijds niet aan de Japanners overgeven en hebben zich schuil gehouden aan de voet van de berg Smeroe. Ik antwoordde mijn sobat (vriend) dat ik zeer zeker genegen was deze mannen te helpen, mits zij met alles genoegen namen.

Ik vertrok op de avond van de 20st juni 1942 om 7 uur met Memfus naar de voet van de Smeroe om in contact te komen met deze manschappen.

Wij waren bijna neergeschoten, maar Memfus riep gauw dat wij eten en sigaretten kwamen brengen. Wij werden naar hun schuilplek gebracht die ongeveer 60 meter verderop lag.

Tijdens de maaltijd verzochten zij ons dagelijks wat eten te brengen, wij beloofden ons best te zullen doen. Dit hebben wij tot 11 november gedaan.Wij hoorden dat de mannen door de Japanners waren gearresteerd.

Op 12 november 1942 ’s morgens zag ik, terwijl ik door de stad wandelde, 4 trucks waarin bovengenoemde mannen zich in varkensmanden bevonden. Zij verdwenen richting Soerabaja.

Later hoorde ik dat allen in de manden in zee gegooid werden.

Geheel naar waarheid opgegeven, Batavia, 8 juli 1947 W.G.S. Rori

W.G.J.H. D…. Luitenant Kolonel der Gov.


No. 17

Samenvatting van onderzoek

van C,H. D…, medisch arts, ik ben 41 jaar en heb de Nederlandse nationaliteit., ben te Tjepoe geboren op Java.

In december 1942 of januari 1943, op een middag omstreeks 13.00 uur, was ik op weg naar mijn huis dat was in Kedoeses ongeveer 3 km buiten de stad.

Vlak bij mijn huis passeerde ik een open truck op ca 3 meter afstand, gereden door een Japanse soldaat en ik zag dat de truck vol geladen was met varkensmanden waarin ik duidelijk levende mensen kon zien.Ik keek achter mij om en zag dat sommigen een donkere huid hadden, en de anderen zag ik duidelijk, waren Europeanen.

De trucks reden naar de stad. Acht dagen later hoorde ik dat de gevangenen uit de grotten nabij Kediri kwamen, alwaar zij zich hadden verscholen.

Getekend, C.H.D….


No. 18

NEFIS te Soerabaja

Geheim Verklaring. No.St.25/H/V. d.d. 3 augustus 1946

Info: De heer J.G.I. N…., Nederlander

In januari 1943 vertelde de bevolking hoe de guerrillagroep door de Japanners werd omsingeld, eerst vanuit de lucht door een onbekend vliegtuig en vervolgens gevangen werd genomen, nadat de Japanners handgranaten geworpen hadden. Enige dagen later is door Info en mevrouw v.d.B… waargenomen ( op afstand van 30 meter) hoe een truck werd beladen met 13 tot 15 varkensmanden, waarboven een paar bewapende Japanners zaten en stonden,

opgehouden werd omdat een rij lorries van uit de fabriek Kebon Agoeng naar het rangeer emplacement aan de overkant van de weg Malang – Kepandjan gereden werden.

De truck reed richting Malang. In iedere mand zat 1 persoon.

Getekend : Chef NEFIS Soerabaja


No. 19

Info: de heer S.bin K…. , 25 jaar, Javaan

Op Pasar Kliwon te Solo in januari 1943, zag Info de Japanners een rondje maken om Nederlandse huizen. Zij hadden trucks bij zich en begonnen onmiddellijk met het arresteren van enkele Nederlanders die in varkensmanden werden geschoven en vervolgens op de truck geladen en opgestapeld zoals men dat met varkens doet. In de truck vlak bij Info, zag hij 15 Nederlanders zo slecht behandeld worden. Toen de truck was volgeladen gingen de Japanse bewakers boven op de mannen in manden staan. In één van de huizen bij Pasar Kliwon, was de echtgenote van een gevangen Nederland’s slachtoffer (beide Nederlanders) die huilde en probeerde haar man te beschermen tegen zijn afvoering door de Japanners. Waarop zij onmiddellijk met een banjonet werd gedood.

Het kind dat bij haar was werd niet aangeraakt.

Inter. Report No 411


No. 20

Verbalisant: P. R… , tijdelijk Hoofdambtenaar Nasporing Oorlogsmisdaden

Comparant: T. K…, geboren 7 juli 1920, Japanse nationaliteit, luitenant ter zee 1ste klas, gedetineerd in de strafgevangenis Tjipinang.

Het schip No 2 Shonan is No 2 Singapore, was in september/ oktober 1942 gestationeerd bij Makassar. Het is daar gestationeerd gebleven tot 1944, toen het als basis Soerabaja kreeg.

In 1942 en 1943 voer het geregeld van Makassar naar Soerabaja vice versa ter begeleiding van Japanse konvooien. Het schip had twee masten en was grijs geschilderd. Het had 1 kanon aan boord op de voorsteven en een installatie voor diepzee bommen op de achtersteven. Het was geen marineschip. De gezagvoerder ervan was geen zeeofficier doch iemand van de Japanse Marine reserve.

Nooit heb ik dat schip of enig ander Japans schip te Makassar zien terug komen met krijgsgevangenen aan boord.

Getekend door verbalisant en comparant, 30 juni 1948


No. 21

Verbalisant: M.P.L.A.R.J. v. A…. Oorlogsmisdaden.

Comparant: dhr. T. K… , geboren op 7 juli 1920 te Ehize Kan, Japan

Onder ede;

Vraag 1: Wat is uw rang?

Antwoord: Luitenant 1e klas bij de Marine

Vraag 2: Wanneer kwam u in Nederlands Indië, en waar bent u geweest>

Antwoord: Op 7 september 1943 ben ik in Indië aangekomen en geplaatst in Makassar tot aan de capitulatie.

Vraag 3: Wat was uw functie in Makassar?

Antwoord: Ik was commandant van de “Coast Guard Forces” ( Sukei Kacho).

Vraag 4: Kunt u mij namen geven van uw superieuren en van uw minderen?

Antwoord: Commandant O. M… ( vice-admiraal). {Japanse naam}

Onder mij had ik 150 mannen.

Vraag 5: Kent u S. K… ? { Japanse naam}

Antwoord: Ja die ken ik, maar die heb ik pas na de capitulatie ontmoet.

Vraag 6: Wie was de commandant van de radio telegrafische afdeling?

Antwoord: Luitenant Y… {Japanse naam}

Vraag: 7: Hoorden er ook schepen tot de “23ste Special Naval” bij?

Antwoord: Er waren 6 boten in Makassar en 1 in Kedari.

Vraag: 8: Kent u een schip met nummer 2?

Antwoord: Nee, er was geen schip met dat nummer in Kedari of Makassar.

Vraag: 9: Van wie kwamen eventuele orders om uit te varen?

Antwoord: Van het Hoofdkwartier van de 23st Special Naval Base.

Vraag: 10: Weet u of er tijdens uw verblijf in Makassar, Amerikaanse piloten werden geëxecuteerd?

Antwoord: Ik heb wel gehoord van de executie van enige Amerikaanse vliegeniers op het vliegveld Maros in mei of juni 1945

Vraag: 11: Kent u deze personen? Toon enkele foto’s.

Antwoord: Ja, de eerste links is H.. en de tweede Ki…, de derde is M… en de vierde is Ka...

Vraag: 12: U hebt dus nooit gehoord dat Amerikaanse piloten aan boord van één der schepen zijn gebracht of lijken teruggebracht, of andere executies dan die van Maros?

Antwoord: Neen!

Getekend: Verbalisant en comparant op 18 juni 1948


No. 22

De Varkensmanden Affaire!

Ik, ondergetekende E. de Q….., geboren 29 maart 1893, Nederlander;

Over deze kwestie had ik op Krebet door toevallig gesprek het één en ander vernomen. Ik had connecties met twee Chinezen uit Krebet t.w. de heer T.M. P…,

en de heer Y.L. H…, bij de eerste thuis luisterde ik vaak naar radio berichten.

Bij dhr. T.M. P… hoorde ik de twee agenten van de veldpolitie te Toeren, Soengvono en Joesoep spreken over een zwaar karwei, die ze achter de rug hadden. Op mijn vraag wat voor werk ze hadden verricht, vertelden ze mij in geuren en kleuren omtrent de gevangenneming van “Blanda’s “ ( Europeanen) aan de Zuid Smeroe hellingen ingesloten guerrillatroepen, die zij in varkensmanden op de Japanse trucks hadden opgeladen.

Ook dhr. Y.L. H... vertelde mij naderhand dat er Japanse trucks langs zijn huis waren gereden (afdeling Krebet Boeloelawang) en dat hij hen met zijn auto was nagereden voor zover mogelijk. Hij wist te vertellen dat Soerabaja het eindpunt was.

Getekend: E. de Q…


No. 23

Staf “A” divisie KFR. inlichtingen

No 1401 I/03/ 3389 Geheim

Onderwerp: Graven Militairen Soerabaja, 19 augustus 1947

Aan een rapport van de Politionele Inlichtingen Dienst voor de Oosthoek, ontlenen wij ter uwer Inlichtingen het volgende: In dessa (dorp) Tasman gelegen aan de weg naar Djember moet een massagraf zijn van 2 à 300 Europeanen, Timorezen, Ambonnezen, en Madoerezen militairen van het KNIL.

Deze militairen zouden zich bij de inval van de Japanners niet hebben willen overgeven, doch wegens overmacht, werden zij gedwongen tot overgave en gelijk varkens in manden levend begraven.

In zo’n zelfde dessa zou in Djati bossen, vermoedelijk ook meerdere Europese geïnterneerde begraven zijn.

Wordt nader onderzocht.

Soerabaja, 23 augustus 1947

Hoofd NEFIS, buitenkantoor

w.g. E.L. S....

KNIL.


No. 24

Verklaring:

Ondergetekende : Dhr. P.G. v.d. S…., 25 jaar , Nederlander, ondernemingspolitie (tolk) verklaart hierbij, er bij tegenwoordig te zijn geweest als politiek gevangene te samen met dhr.R. K… met pensioen. Griffier van de Land Raad en enige Ambonezen in het Kempeitai gebouw te Kediri, waar ze waren berecht en in varkensmanden gestopt. Dit gebeurde in het jaar 1943, ik geloof in mei.

De heer L.O. T…. (griffier) was destijds 48 jaar oud. Volgens de uitlatingen van de Kempeitai zouden de berechte personen in Soerabaja in zee zijn geworpen, waarheen ze per truck waren vervoerd.

Ondergetekende werd van medeplichtigheid vrij gesproken.

Bandoeng, 8 April 1948 w.g. P.G. v. d. S….


No. 25

Verbalisant: dhr. P. R….., Hoofdcommissaris van Politie te Batavia

Comparant: Niida Masuzo, sergeant Kempeitai te Malang, die na langdurig halsstarrige ontkenning tenslotte op onderstaande vragen antwoordde.

Vraag 1: Hebt u als Kempeitai man bemoeienissen gehad met het opsporen c.q. begeleiden van geallieerde guerrillastrijders?

Antwoord: Met opsporen niet. Met begeleiden van door Japanse militairen gearresteerde geallieerde guerrillastrijders enige malen, acht à zeven keer.

Vraag 2: Wie waren de guerrillastrijders?

Antwoord: Dat waren de guerrillastrijders, die zich na de capitulatie niet aan Japan wilden overgeven doch in Malang en omgeving de bergen introkken om van daaruit Japanse strijdkrachten zelf nog afbreuk te doen, hetzij om zich in Indië te verschuilen en de bevolking tegen ons op te zetten.

Vraag 3: Vele van deze guerrillastrijders zijn door de Japanners opgespoord: wie verrichte deze opsporingen? Waar zijnde opgespoorde geallieerde militairen

gebleven na hun arrestatie?

Antwoord: Ik schat dat in Malang en omgeving 400 mannen van deze geallieerde guerrillastrijders zijn opgespoord. Die opsporingen zijn verricht door Japanse militairen van het gevechtsleger, die gelegerd waren te Malang.

Zij werden allen door hen naar begaanbare wegen gebracht, waar trucks e.d. klaarstonden om hen naar Malang te vervoeren.

Vraag 4: Zulke transporten zijn volgens ooggetuigen geschied onder “geleide” van de Kempeitai?.

Antwoord: Ja dat is zo.

Vraag : Hoe vaak moest u als lid van de Kempeitai Malang geleiden van zo’n transport?

Antwoord: Minstens 7 keer. De Kempeitai regelde het transport niet dat gebeurde door het leger, militairen uit Malang.

Vraag 5: Wie gaf opdracht dat de Kempeitai moest toezien op die transporten?

Antwoord: Mijn directe chef, de sergeant majoor Usami Tehiro van de Malangse Kempeitai. De toenmalige chef van de Kempei te Malang was Harada Hachiro.

De naam van kolonel Abe, thans generaal hoorde ik in dit verband herhaaldelijk.

Vraag 6: Wanneer vonden die arrestaties van de guerrillastrijders en hun transporten naar Malang plaats?

Antwoord: Het begon enige maanden na de capitulatie door tegenstanders op Java. Het duurde nog geruime tijd voort, ik denk wel een jaar.

Vraag 7: Ik wil u ruimschoots de tijd geven om uw geheugen te raadplegen over de keren dat uzelf die transporten hebt begeleid.

Antwoord: Ik begrijp uw vragen. Het spijt mij dat ik eerst halsstarrig heb beweerd niets van deze affaire te weten

Thans echter zal ik u naar beste weten inlichten.

Vraag 8: Ik wens dan te weten wat er is gebeurd in de omgeving van Dampit, Toeren en Krèbet en zoveel andere plaatsen. Wilt u mij zo duidelijk mogelijk antwoorden?

Antwoord: Ja. Bij Dampit werden ca 100 guerrillastrijders uit de bergen opgehaald, bij Toeren 150 en bij Krebet ca 80.

Voordat ze door de legersoldaten op vrachtauto’s werden geladen, waren ze door het leger in manden gestopt of eigenlijk waren dat kratten, de z.g. varkensmanden.

Die kratten werden door soldaten bij de bevolking , meestal bij Chinezen besteld. Ik heb die transporten bij Dampit, Toeren en Krebet meegemaakt, ik reed op de trucks mee. Het leger bracht de guerrillastrijders naar de “Kazerne” te Malang. In die kazerne heb ik ook eens grote hoeveelheden van varkensmanden gezien.

Het transport uit Dampit bestond uit 4 trucks, uit Toeren 6 of 7 trucks en uit Krebet 4 trucks.

Vraag 9: Thans wens ik nog te weten wat er daarna met die gevangen genomen guerrillastrijders is gebeurd.

Aangenomen wordt dat zij in die manden zijn gestopt al dan niet gebonden en in zee geworpen.

Hoe is dat gegaan, was u daar ook schuldig aan?

Antwoord: Ja, vermoedelijk zijn ze allen in deze toestand in zee verdronken.

Ikzelf heb enige keren een transport van die gevangenen meegemaakt. Vóór het transport uit reed altijd een Japanse legerofficier, een 1ste luitenant.

Dat vervoer geschiedde telkens met trucks waarop die gevangenen in kratten verpakt lagen.

De echte legersoldaten hadden ook die transporten in handen; hun gewapende geleide zat op de trucks. Zij brachten de transporten naar Tandjoeng Perak, ikzelf reed tweemaal mee.

Ik heb zelf gezien dat daar een Japans schip lag waarop de gevangenen nog steeds opgesloten in kratten aan boord gebracht werden.

Ik heb later herhaalde malen horen mompelen dat die gevangenen ’s nachts naar buiten zijn gebracht, de zee op en vanaf dat schip in zee zijn geworpen.

Maar ikzelf was daar nooit bij.

Getekend alleen door verbalisant: de heer P. R…., 23 Februari 1948

Pagina 1

Naiida Masuzo;

Gisteren verklaarde ik dat ik tezamen met het Leger 7 maal naar Soerabaja ben geweest.

Maar dat was een vergissing, ik heb toen in die tijd geen orders ontvangen van Sergeant Majoor Usami (Kempei stafchef) om met het Leger Nederlandse soldaten naar Soerabaja te brengen.

De Nederlandse soldaten zijn na hun arrestatie naar een Krijgsgevangenkamp te Soerabaja gebracht. Maar dit had niets met de Kempeitai te maken.

Pagina 2

Majoor Manabe en luitenant Kolonel Abe;

Het is nooit gebeurd dat de Kempeitai samen met het Leger Nederlandse soldaten per auto/truck naar Soerabaja gebracht hebben.

Dat zweer ik voor God. Als u mij niet gelooft doe dan a.u.b. navraag bij USAMI Ichiro en Tateishi Zenjo, als getuigen, dan wordt het u duidelijk of Niida Masuo naar Soerabaja ging in die dagen of niet.

Orders zijn heel streng in het Japanse Leger. Als Niida samen met het Leger naar Soerabaja ging om daar de Nederlandse soldaten te brengen, dan is hij aanleiding om hem voor het Krijgsgerecht te brengen dat is hij verschuldigd wegens schending van discipline en orde. Ik weet dat de mensen in Malang mij “Majang” (tijger) noemen. Maar ik voer mijn plicht heel streng uit.

Pagina 3

Niida Masuo;

Het was het ( Japanse) Leger die de soldaten arresteerden, die hun heil hadden gezocht in de bergen boven Dampit en Toeren. Dit had totaal niets met de Kempeitai te maken.

Pasirian: Ik ging samen met Harada Buntai, en sergeant Seliquchi naar Pasirian (Zuid kust) om enkele certificaten te halen. Dit had niets te doen met de Nederlandse soldaten.

Probolingo: In maart 1943 ben ik daar heen gegaan met het doel om een manoeuvre mee te maken

Pasoeroean: Ik ging op onderzoek naar radio toestellen in bezit van de Japanners aldaar.

Tompang: Onderweg van Dampit, ging er iets mis met mijn auto dus was het nodig dat ik in Tompang moest blijven.

Soerabaja: Daar ben ik zeker 20 keer geweest, van Malang naar Madoera.

Ik heb wel Krijgsgevangenen gezien die per trein vervoerd werden van Malang naar Bandoeng.

Het was tijdens patrouille dienst dat Krijgsgevangenen per trucks werden vervoerd. Maar ik was daar nooit bij.

Gisteren heb ik fouten gemaakt en één en ander verkeerd uitgelegd., dit kwam omdat ik last had van een zenuwinstorting.

Ik zei dat, maar het is absoluut niet waar dat Krijgsgevangenen waren gekooid en in zee gegooid.

NIIDA MASUO

No. 26

Vervolg Proces Verbaal

In aansluiting op mijn proces verbaal van het op 23 februari 1948 van de verdachte NIIDA MASUO afgenomen verhoor, verklaar ik P. R.… in rang van Hoofdcommissaris van Politie tijdelijk werkzaam bij het Regeringsbureau tot nasporing van Oorlogsmisdaden, het volgende:

Toen ik op 24 februari 1948 ’s morgens, omstreeks 9 uur, in strafgevangenis Tjipinang te Batavia de verdachte ‘voornoemd met behulp van een Japanse tolk , zijn, de vorige dag afgelegde verklaring, neergelegd in mijn proces verbaal genummerd 22978/ R, in de Japanse taal wilde doen voorhouden, met de bedoeling hem de juistheid dier verklaring te doen tekenen, verklaarde NIIDA MASUO mij in het Maleis, in het bijzijn van de Commissaris van Politie 2e klas C.v.d. B… die het Maleis en de Japanse taal machtig is, het volgende: “Ik had gisteren een geestelijke inzinking. Thans ben ik die nog niet te boven, integendeel; ik voel mij onevenwichtiger dan gisteren bij het einde van het verhoor. Ik weet niet meer wat ik gisteren verklaarde , maar wel weet ik dat als ik één of andere vorm van bekentenis en een soort bekentenis heb afgelegd, dat ik dit in mijn zenuwachtigheid ten onrechte heb gedaan. Het heeft geen zin mij in de Japanse taal een verklaring voor te houden. Ik wens niet verder te antwoorden.

Wel wil ik u reeds zeggen, dat ik geen mensen in manden geborgen, heb vervoerd of het vervoer van mensen in manden heb begeleid.

Wat ik wel heb gedaan is het ophalen te Dampit en elders van militaire kleding, wapens en ammunitie van gevangenen genomen geallieerde guerrillastrijders.

Ik verzoek u mij thans met rust te laten.


Toen tegen omstreeks half elf die voormiddag, 24 februari 1948 NIIDA MASUO mij verklaarde zich weer normaal te voelen, verzocht hij mij zelf een verklaring over de gebeurtenissen te mogen opstellen.

Ik verbalisant: heb hem daarop in de gelegenheid gesteld dit te doen.

N M heeft daarop in mijn bijzijn op schrift gesteld in Japanse karakters de verklaring groot 4 bladzijden welke ik hierbij in origineel overleg en welke door mij is genummerd 22978/ R.

Toen ik hem aan het einde der opstelling dier verklaring vroeg hierin op een of andere wijze van zijn kennis der Maleise taal te doen blijken, heeft hij in Latijnse karakters geschreven en dit in Japanse karakters met zijn naam ondertekend, het volgende:

“Saja bisa membacha dan menolis dalem bahasa malajoe”

Op de afgelegde ambt’s eed hiervan opgemaakt dat proces verbaal en het ingesloten getekend te Batavia, 25 februari 1948, onder aantekening dat het onderzoek wordt voortgezet.

Verbalisant: w.g. P.R….


Uit het boek van Mr. L.F. de Groot;

Berechting Japanse oorlogsmisdadigers in Nederlands-Indië 1946 – 1949

Bladzijde 58: Punt 26 de zogenaamde varkensmanden affaire

Het is ondoenlijk in de mij – van de overigens royaal toegemeten – resterende ruimte een min of meer compleet relaas te geven van deze, alleen al om de figuur van Generaal Immamura en zijn chef staf Okazakio zo interessante en belangrijke zaak. Hier kan ik slechts nog enkele hoofdpunten van het vonnis vermelden, met beknopte weergave van de eigenlijke beslissing.

De Krijgsraad had na minutieus onderzoek betreffende de onder de nummers 1 tot en met 25 opgesomde feiten, toegeschreven aan militairen van bepaalde onderdelen van het 16e Leger, het door beklaagden gevoerde verweer redelijk en acceptabel bevonden, doch zag zich ten aanzien het betreffende punt 26 der telastlegging (de zogenaamde varkensmanden zaak) gevoerde verweer, dat namelijk de waarnemingen vermeld in het overstelpende aantal daarop betrekking hebbende verklaringen alle slechts aan hallucinaties en een rijke fantasie ontsproten konden zijn, oorspronkelijk voor de vraaggesteld hoe beklaagden zich op een zó domme wijze meenden te kunnen verdedigen. Hierdoor werd immers twijfel gewekt aan hun geloofwaardigheid niet alleen ten aanzien van hun verweer op dit punt, maar ook omtrent punten waarover deze twijfel tevoren niet bestond. Nadat echter na aanleiding van een door de Japanse tolk bij deze Krijgsraad Matsuura Kojiro ingediend “Statement” over deze affaire tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting was besloten, heeft het verhoor onder ede van deze tolk als getuige een geheel ander licht geworpen op het verweer van de beklaagden en speciaal op de waarde van die vele verklaringen.

Na vaststelling dat een zeer groot aantal van die verklaringen als niet op de periode waarin 1ste beklaagde commandant van het 16e Leger was betrekking hebbend te zijnen aanzien moet worden te zijde gesteld, evenals een belangrijk aantal dat slechts verhalen van anderen vermeldt en dus rechtstreeks bewijs onbruikbaar is, moet de Krijgsraad ook dat ten aanzien van verklaringen met gedetailleerde beschrijvingen van het waargenomene en dus op het eerste gezicht geloofwaardig schijnend voorzichtigheid geboden is. Want aldus de Krijgsraad, geruchten van een dergelijk sensationele aard plachten, naar het College uit eigen wetenschap bekend is, in de bezettingsperiode als een lopend vuur rond te gaan en geven, veelal door overbrenging verfraaiden aangevuld, aanleiding tot de wildste onderstellingen. Op grond van de verklaring van Mazuura Kojiri, dat hij gedurende de lange periode in 1943 in welke tijd volgens de getuigenverklaringen veelvuldig transporten van “krijgsgevangenen in varkensmanden” in Oost Java moeten hebben plaatsgehad, zelfs door de stad Soerabaja op klaarlichte dag alle in de richting van de kade waar zich getuige’s kantoor bevond, daarvan nimmer iets heeft gehoord, ook niet van de vele bewoners van Soerabaja en andere plaatsen, met wie hij veelvoudig vriendschappelijke contact heeft gehad, kwam de Krijgsraad tot de conclusie dat deze beestachtige wijze van vervoer van krijgsgevangenen in varkensmanden zoals in punt 26 van de telastlegging beschreven, in Oost-Java wel eens moet hebben plaatsgehad, doch zeker niet op een zo grote schaal als aan de hand van de vele getuigenverklaringen zou kunnen worden aangenomen.

Hierom achtte de Krijgsraad het verweer van de beklaagden niet meer zo onverklaarbaar; het kon er slechts op wijzen, dat beklaagden nimmer van dit soort wandaden hebben gehoord en daardoor mede op grond van de ongehoorde onmenselijkheid die daaruit blijkt, hieraan niet hebben willen geloven, welke zienswijze zij overigens gemeen blijken te hebben met die van de door getuige Matuura genoemde leider van het Britse War Crimes Investigation Team No 3, Wing Commander McEwen.

No. 3; Varkensmanden - affaire; op verschillende tijdstippen tussen maart en december 1943 op Java enige honderden krijgsgevangenen en geïnterneerden althans gevangenen door militairen van het 16e Leger gefolterd althans slecht behandeld door hen, na foltering of mishandeling met op de rug gebonden handen … in manden – op Java in gebruik voor vervoer van varkens – te persen, deze manden aan de open einden dicht te binden, hen vervolgens in deze toestand op open vrachtauto’s dan wel goederenwagons te laden, in de meeste gevallen drie tot vier hoog opgestapeld, en hen op deze wijze te vervoeren, welk vervoer uren, soms dagen in beslag nam, zonder drinken of eten, hetgeen onnoemelijk zwaar lichamelijk en geestelijk lijden van genoemde personen tot gevolg heeft gehad.


Vanuit de verte hoor ik mijn vader zachtjes zeggen; “Oh mijn God!”
 

Home